De meeste afstudeervarianten van Werktuigbouwkunde kenden een dispuut. Industriële Organisatie, de afstudeerrichting waar studenten alles leerden over organisatie had echter geen studentenorganisatie achter zich. De jaarring van 1982 besloot dat hier verandering in moest komen. Ad de Zeeuw, Ton Opdam en Rob Dekkers kwamen tegelijk met het idee en gooiden dat in een werkgroepbespreking. De reactie van professor Jan in ’t Veld hierop was niet zo positief: “Doe maar wat je niet laten kunt. Ik denk dat het vanzelf over gaat” of: “Het zal geen lang leven beschoren zijn.” Er was dus geen steun van Jan in ’t Veld, maar ook geen verbod. De toenmalige studenten gingen aan de slag, maar werden wel gesteund door medestudenten en staf.

Het vormen van een bestuur ging niet zonder slag of stoot. Zo was Ad de Zeeuw student-assistent bij de sectie Industriële Organisatie. Jan in ’t Veld was  tegen de benoeming van Ad de Zeeuw in het bestuur. Rob Dekkers had hiertegen een weerwoord:  “Het dispuut staat naast de sectie. Privé-activiteiten van studenten staan buiten de reikwijdte van de sectie. Ik ben voorzitter van het dispuut en niet jij.” Jan in ’t Veld reageerde: “Het gaat niet lukken, maar ik kan het niet tegenhouden en je krijgt geen steun van me.” Ad de Zeeuw was daarmee in beeld voor het bestuur. Het bestuur dat aan de wieg van het studiedispuut van Industriële Organisatie stond, bestond uit Rob Dekkers (voorzitter), Hans Lekkerkerk (commissaris o’wijs), Frank de Jong (de tennisspeler), Ad de Zeeuw, Johan Ruitenburg, Ton Opdam en Maarten Bults. Het was breed gekozen om te zorgen voor draagvlak in de jaarring.

Industriële Organisatie had een dispuut, dat als alle net geborenen een naam moest krijgen, een passende naam. De naam kwam bij de Griekse mythologie vandaan. Hans Lekkerkerk,  had op het gymnasium goed genoeg opgelet om het verhaal te onthouden over een nieuwsgierig meisje en een doos dat alle plagen van de wereld bevatte. Zolang de doos gesloten bleef konden de plagen niemand treffen. Helaas kon het meisje haar nieuwsgierigheid niet bedwingen. Alle plagen stroomden eruit en slechts de hoop bleef erin achter. De studenten van Industriële Organisatie leerden hun nieuwsgierigheid te gebruiken bij de ‘black box’-benadering. Hierbij werden telkens ‘dozen’ geopend om steeds meer details, en dus ellende, van het beschouwde systeem te kunnen zien. Men ‘hoopt’ met deze benadering bedrijfsproblemen gestructureerd op te lossen. Een evidente analogie, die door de meesten herkend werd. Dit was genoeg reden om het dispuut te noemen naar de ‘uitvindster’ van de black box-benadering: Pandora!

Alternatieven voor de naam waren “Blackpipe” en “de Club van Ome Jan”. Deze tweede naam werd ’s morgens nog omgetoverd tot “de Club van Opa Jan”. Jan in ’t Veld werd hier een beetje rood van, hij had net een kleinkind gekregen. De naam van het dispuut werd uiteindelijk Pandora. De ex-vriendin van Ton Opdam, Saskia Pothuis, werkte op verzoek van en samen met Ad de Zeeuw het logo uit. Het werd het symbool van studiedispuut Pandora en prijkte onder andere op flessen, die als cadeau werden gegeven aan gasten. Presentatie is belangrijk, ook over het kopen van stropdassen en de verschillende kleuren voor bestuur en leden was daarom veel discussie.

De activiteiten konden van start gaan. Een van de activiteiten die al tijdens de besprekingen in het vizier lag waren internationale studiereizen. Deze kwam nog niet in dit eerste jaar tot stand, maar er zijn wel herinneringen aan reizen en van files in de auto van Ad de Zeeuw. Een van de eerste excursies ging naar de Oosterscheldewerken. Als een van de laatste groepen stond Pandora op de bodem van de bouwput van de Oosterscheldewerken, waar de pijlers in waren gemaakt. Men had net een begin gemaakt om die vol te laten lopen opdat het hefschip ze op kon pakken.

Een glimp in de agenda van Hans Lekkerkerk laat een aantal activiteiten van Pandora in 1982 tot 1984 zien. Niet alle activiteiten staan erin, zoals een van de eerste activiteiten, de “koekenpot” en de evaluatie van het curriculum.  De koekenpot werd eigenlijk al eerder dat jaar ingesteld voor de geboorte van Pandora. Jan in ’t Veld vroeg iedereen zijn stipte aanwezigheid, 08.30, 10.30, 13.30 en 15.30. Vaak ging het nog langer door, waardoor men soms pas weg ging tussen 18.00 en 19.00. De koekenpot was bedoeld voor het te laat komen op de werkgroepbesprekingen. Iemand die te laat was, moest koeken moest regelen voor de hele groep. Toen Pandora werd opgericht werd de koekenpot de verantwoordelijkheid van het bestuur, wat betekende dat er altijd een voorraad koeken was. Later in dat jaar moest er iemand te laat moest komen, al was het maar een minuut, om te zorgen dat er koeken waren bij de koffie of thee.

Door een van de andere activiteiten, de barbecue aan het einde van het werkgroepjaar, was ook Jan in ’t Veld eindelijk om. Als cadeau kreeg hij hier de doos van Pandora, een soort zwart sigarenkistje, waar bij het openen de foto’s van studenten en staf van jaarring 1982 omhoog kwamen op een soort tribune. Deze doos stond jaren later nog op zijn bureau. Zoals hij ook jaren later op een reünie toegaf dat hij niet gedacht had dat dit initiatief het zo lang zou redden, maar toch positief was ten aanzien van Pandora.